Tijdens de concerten met het Haags Renaissance Kamerkoor in oktober
en november 2005 werden er drie zevenstemmige stukken gezongen of
gespeeld: Ego flos campi van Jacobus Clemens non Papa (ca. 1510-ca.
1556), Proch Dolor / Pie Jesu (Anoniem 1519?) en Petite camusette van
Jean Mouton (ca. 1460-1522).
Tot ca. 1550 was zevenstemmigheid een zeldzame bezetting. Onder de 1387
composities die Tielman Susato tussen 1543 en 1561 uitgaf, zijn er 53
voor 6, 8 voor 8 en slechts 1 voor 7 stemmen (Jh. Vinders: Lamentatio
super morte Josquin de Prés). Zevenstemmigheid werd vrijwel uitsluitend
om symbolische redenen toegepast. Bijvoorbeeld als symbool van de zeven
smarten van Maria (Memorare mater Christi van Matthaeus Pipelare).
Onder de ruim 230 motetten van Clemens non Papa bevindt zich één
zevenstemmige compositie: Ego flos campi; wellicht in 1550 geschreven
tijdens zijn verblijf in 's-Hertogenbosch voor de Illustre Lieve Vrouwe
Broederschap. De tekst is ontleend aan het Hooglied (2, 1-2; 4, 15) en
staat in het teken van de Mariadevotie. Clemens heeft in zijn motet de
woorden "sicut lilium inter spinas" (als een lelie onder de doornen),
die de zinspreuk van de broederschap vormen, d.m.v. homofone akkoorden
op de voorgrond geplaatst. Hiermee verbond hij de lofzang op de H. Maagd
met die van de broederschap.
[W. Elders (1985), p. 62-65] [zie ook R. Roelvink (2002), p. 174]
Het getal 7 als symbool van de smarten van Maria is in de muziek van de
15e en 16e eeuw uitgegroeid tot een symboolgetal voor smart of rouw in
het algemeen. Ook wanneer de rouw een overleden vorst betrof, nam de
componist wel eens de zevenstemmigheid als symbolisch expressiemiddel te
baat. Zo werd waarschijnlijk tijdens de op 27 en 28 februari 1519 te
Mechelen gehouden rouwplechtigheden voor keizer Maximiliaan 1 het
zevenstemmige Proch dolor uitgevoerd, een motet dat anoniem is
overgeleverd maar misschien aan Josquin des Prez moet worden
toegeschreven.
[W. Elders (1985), p. 64-65]
21-8-2005