Missa Benedicta es coelorum Regina

Nicolle des Celliers de Hesdin (?-1538) - Adriaen Willaert (ca. 1490-1562) - Anoniem

Volgens Anthony Fiumara 1 is de mis in elf manuscripten overgeleverd. In deze manuscripten worden Nicolle des Celliers de Hesdin of Adriaen Willaert als componist genoemd of ontbreekt er een naam. De musicoloog Anton Averkamp 'herontdekte' de mis begin van de 20e eeuw in een manuscript dat ca. 1530 gemaakt is voor de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in 's-Hertogenbosch. In het manuscript wordt de mis toegekend aan Willaert.
De mis is gecomponeerd uitgaande van de Maria sequens voor kerstavond Benedicta es coelorum Regina [Reese (1959), p. 251, 255]:

De componist heeft ook gebruik gemaakt van materiaal van het motet Benedicta es van Josquin des Prez (ca. 1450-1521). Dit geldt met name voor het Sanctus van de mis.  

1 Toelichting bij de CD Benedicta es, celorum regina, Renaissance in The Netherlands, Capella Breda, Daniël Speer Trombone Consort o.l.v. Daan Manneke (1999).

De missen van Willaert

H.F. Redlich, The New Oxford History of Music IV, The Age of Humanism 1540-1630 (1968), p. 280-283:

Van Willaert zijn slechts negen missen bekend, ……. Het zijn bijna allemaal 'parodie'-missen. …… De vijfstemmige mis gebaseerd op Josquin's 'Benedicta es', door Willaert of Hesdin, is bewaard gebleven in acht manuscripten, waarvan twee het aan Willaert toeschrijven, drie aan Hesdin en drie anoniem zijn. Het toeschrijven aan Hesdin is opgeworpen door Smijers 1, maar Antonowytsch kent het op stilistische gronden toe aan Willaert.2

Antonowytsch's gedetailleerde studie van 'Benedicta es', waarvan het 's Hertogenbosch manuscript 3 gedateerd is op ca. 1530, toont de verassende mate waarin de rijpe Willaert – als hij het was – nog vertrouwt op de stijlconcepten die gevestigd zijn door Josquin. Zijn parodietechniek, die letterlijk grote stukken van Josquins motet overneemt, en ook zijn nauw thematisch trouw blijven aan het oorspronkelijk gezang, onderstrepen het retrospectieve karakter van deze mis, eerder gecomponeerd in de geest van Ockeghem en Josquin dan de eigen nieuwe stijl van Willaert weerspiegelend. Het is leerzaam om de opening te vergelijken met het model:

en met de parallelle passage van De Monte's latere werk. Typisch voor de verouderde smaak van het hele werk is het gebruik de fauxbourdon-achtge sextakkoorden (zo bekend van Dufay en zijn tijdgenoten), zoals die voorkomen in het Agnus Dei III van de mis (maat 65, 66):

De conservatieve benadering van miscompositie in het algemeen lijkt karakteristiek voor Willaert. Maar er is weinig twijfel dat deze negen missen slechts een fractie zijn van zijn composities van het Ordinarium; Haberl 4 geloofde dan ook dat een heel boek met missen eens in de archieven van de San Marco verloren is gegaan. Als deze verloren missen de composities van de latere Willaert representeren, dan zullen ze bij ontdekking nieuwe stijlkenmerken vertonen en dus de wetenschappers dwingen tot herziening van hun oordeel van Willaert als componist van missen.

Willaerts motetten

De figuur van Willaert als componist van kerkmuziek is slechts duidelijk waar te nemen in zijn motetten. Deze zijn voornamelijk gepubliceerd in een serie collecties tussen 1539 en 1559 …… Hermann Zenck heeft een overtuigende beoordeling van zijn motetten in het algemeen gemaakt

1 Hesdin of Willaert, TVNM, x, 1915, p. 180.
2 Die Motette 'Benedicta es' von Josquin des Prez und die Messen 'super Benedicta'von Willaert, Palestrina, de la Hele und de Monte, Utrecht, 1951.
3 Hertogenbosch, MS. 72 A, fo. 1.
4 Haberl, F.X.: Messen Adrian Willaerts, gedruckt von Francesco Marcolini da Forli, Monatshefte für Musikgeschichte, iii (1871).

Benedicta es coelorum Regina

A Reappraisal of the Sixteenth-Century Musical Complex founded on Josquin's setting of Benedicta es, David Kidger (Oakland University):

There are relatively few large complexes of polyphonic works in the sixteenth century whose origin can be traced to a chant melody and text, and even fewer that did not begin with a setting by composers of the later fifteenth century, such as Dufay or Ockeghem. One of the most celebrated of the sixteenth-century complexes is the group of works based on the Marian sequence, Benedicta es coelorum Regina.
There can be no question that Josquin's setting of Benedicta es was central in this development. In his important 1951 study, Die Motette Benedicta es von Josquin de Prez, und die Messe super Benedicta, Myroslaw Antonowytsch examined four masses based on Josquin's motet.
In this paper, the complex of works based on the Marian sequence, Benedicta es, is greatly expanded to include several motets, masses and other vocal and instrumental pieces. Three specific points are explored in detail in this study. First, the source transmission and reception history of Josquin's motet is investigated. Second, this paper shows that the motets of Mouton and Prioris on Benedicta es, both of which must have been composed within ten years of Josquin's setting, are crucial to the musical complex. Finally, we find that composers working on pieces based on Benedicta es not only borrowed from the early group of motets, but also borrowed music from other pieces within the complex.

New Directions in Josquin Scholarship, Princeton University, 29-31 October 1999, http://www.princeton.edu/~rwegman/josquin.html

Eugeen Schreurs, Toelichting bij CD The A-La-Mi-Re manuscripts, 1999:

In de laatste handschriften die Alamire vervaardigde voor de Illustre Lieve-Vrouwe-Broederschap te 's-Hertogenbosch (codex 72A) komen eveneens de jonge generatie componisten van het post-Josquin-tijdperk aan bod, met Adriaan Willaert als boegbeeld. Van zijn hand is het Agnus uit de twee- tot zesstemmige Missa super Benedicta, gebaseerd op het gelijknamige motet van Willaert zelf [!?], alsook op gregoriaanse Benedicta.


Willaert biografie: http://www.hoasm.org/IVN/Willaert.html



7-8-2005

 

Frans Schröder - Oude en Nieuwe Muziek