Volgens Anthony Fiumara 1 is de mis in elf manuscripten
overgeleverd. In deze manuscripten worden Nicolle des Celliers de Hesdin
of Adriaen Willaert als componist genoemd of ontbreekt er een naam. De
musicoloog Anton Averkamp 'herontdekte' de mis begin van de 20e eeuw in
een manuscript dat ca. 1530 gemaakt is voor de Illustre Lieve Vrouwe
Broederschap in 's-Hertogenbosch. In het manuscript wordt de mis
toegekend aan Willaert.
De mis is gecomponeerd uitgaande van de Maria sequens voor kerstavond
Benedicta es coelorum Regina [Reese (1959), p. 251, 255]:

De componist heeft ook gebruik gemaakt van materiaal van het motet
Benedicta es van Josquin des Prez (ca. 1450-1521). Dit geldt met name
voor het Sanctus van de mis.
1 Toelichting bij de CD Benedicta es, celorum regina,
Renaissance in The Netherlands, Capella Breda, Daniël Speer Trombone
Consort o.l.v. Daan Manneke (1999).
H.F. Redlich, The New Oxford History of Music IV, The Age of Humanism
1540-1630 (1968), p. 280-283:
Van Willaert zijn slechts negen missen bekend, ……. Het zijn bijna
allemaal 'parodie'-missen. …… De vijfstemmige mis gebaseerd op Josquin's
'Benedicta es', door Willaert of Hesdin, is bewaard gebleven in acht
manuscripten, waarvan twee het aan Willaert toeschrijven, drie aan
Hesdin en drie anoniem zijn. Het toeschrijven aan Hesdin is opgeworpen
door Smijers 1, maar Antonowytsch kent het op stilistische
gronden toe aan Willaert.2
Antonowytsch's gedetailleerde studie van 'Benedicta es', waarvan het 's
Hertogenbosch manuscript 3 gedateerd is op ca. 1530, toont de
verassende mate waarin de rijpe Willaert – als hij het was – nog
vertrouwt op de stijlconcepten die gevestigd zijn door Josquin. Zijn
parodietechniek, die letterlijk grote stukken van Josquins motet
overneemt, en ook zijn nauw thematisch trouw blijven aan het
oorspronkelijk gezang, onderstrepen het retrospectieve karakter van deze
mis, eerder gecomponeerd in de geest van Ockeghem en Josquin dan de
eigen nieuwe stijl van Willaert weerspiegelend. Het is leerzaam om de
opening te vergelijken met het model:


en met de parallelle passage van De Monte's latere werk. Typisch voor de verouderde smaak van het hele werk is het gebruik de fauxbourdon-achtge sextakkoorden (zo bekend van Dufay en zijn tijdgenoten), zoals die voorkomen in het Agnus Dei III van de mis (maat 65, 66):

De conservatieve benadering van miscompositie in het algemeen lijkt karakteristiek voor Willaert. Maar er is weinig twijfel dat deze negen missen slechts een fractie zijn van zijn composities van het Ordinarium; Haberl 4 geloofde dan ook dat een heel boek met missen eens in de archieven van de San Marco verloren is gegaan. Als deze verloren missen de composities van de latere Willaert representeren, dan zullen ze bij ontdekking nieuwe stijlkenmerken vertonen en dus de wetenschappers dwingen tot herziening van hun oordeel van Willaert als componist van missen.
De figuur van Willaert als componist van kerkmuziek is slechts
duidelijk waar te nemen in zijn motetten. Deze zijn voornamelijk
gepubliceerd in een serie collecties tussen 1539 en 1559 …… Hermann
Zenck heeft een overtuigende beoordeling van zijn motetten in het
algemeen gemaakt
1 Hesdin of Willaert, TVNM, x, 1915, p. 180.
2 Die Motette 'Benedicta es' von Josquin des Prez und die
Messen 'super Benedicta'von Willaert, Palestrina, de la Hele und de
Monte, Utrecht, 1951.
3 Hertogenbosch, MS. 72 A, fo. 1.
4 Haberl, F.X.: Messen Adrian Willaerts, gedruckt von
Francesco Marcolini da Forli, Monatshefte für Musikgeschichte, iii
(1871).
A Reappraisal of the Sixteenth-Century Musical Complex founded on
Josquin's setting of Benedicta es, David Kidger (Oakland University):
There are relatively few large complexes of polyphonic works in the
sixteenth century whose origin can be traced to a chant melody and text,
and even fewer that did not begin with a setting by composers of the
later fifteenth century, such as Dufay or Ockeghem. One of the most
celebrated of the sixteenth-century complexes is the group of works
based on the Marian sequence, Benedicta es coelorum Regina.
There can be no question that Josquin's setting of Benedicta es was
central in this development. In his important 1951 study, Die Motette
Benedicta es von Josquin de Prez, und die Messe super Benedicta,
Myroslaw Antonowytsch examined four masses based on Josquin's motet.
In this paper, the complex of works based on the Marian sequence,
Benedicta es, is greatly expanded to include several motets, masses and
other vocal and instrumental pieces. Three specific points are explored
in detail in this study. First, the source transmission and reception
history of Josquin's motet is investigated. Second, this paper shows
that the motets of Mouton and Prioris on Benedicta es, both of which
must have been composed within ten years of Josquin's setting, are
crucial to the musical complex. Finally, we find that composers working
on pieces based on Benedicta es not only borrowed from the early group
of motets, but also borrowed music from other pieces within the complex.
New Directions in Josquin Scholarship, Princeton University, 29-31
October 1999,
http://www.princeton.edu/~rwegman/josquin.html
Eugeen Schreurs, Toelichting bij CD The A-La-Mi-Re manuscripts, 1999:
In de laatste handschriften die Alamire vervaardigde voor de Illustre
Lieve-Vrouwe-Broederschap te 's-Hertogenbosch (codex 72A) komen eveneens
de jonge generatie componisten van het post-Josquin-tijdperk aan bod,
met Adriaan Willaert als boegbeeld. Van zijn hand is het Agnus uit de
twee- tot zesstemmige Missa super Benedicta, gebaseerd op het
gelijknamige motet van Willaert zelf [!?], alsook op gregoriaanse
Benedicta.
Willaert biografie:
http://www.hoasm.org/IVN/Willaert.html
7-8-2005