Tekst:
Liefhebbende heer Jezus, vergun hem rust.
Amen. (Uit: Liber Usualus)
De overige vier stemmen bezingen de dood van de keizer:
Helaas! [Oh smart!] Laat de massa van de Duitsers wenen voor de koning met de
grote geest die voor hun landen verloren is. Hij ligt dood en de schitterende
ster van Caesar is plotseling gevallen: er kan nu geen grotere pijn zijn dan
deze wond. Moge de heldere lichten van de sterrenhemels open gaan en de hemelse
gastheer de grote held verwelkomen.
(Naar een Engelse vertaling van de teksten)
Deze ongewone en nogal indrukwekkende treurzang is te vinden in één
enkele bron, het chansonnier van Margaretha van Oostenrijk (MS 228
Koninklijke Bibliotheek Brussel). De notatie is interessant, het stuk is
geheel geschreven in zwarte noten (zwarte longa's, breves, semibreves en
minima's). De drie cantus firmus partijen zijn afgeleid van een enkele
partij voorzien van een voorschrift ("Hemel, aarde en zeeën helpen de
vrome") dat wijst op een canon in drie stemmen. De tekst [en de muziek,
F.S.] van de cantus firmus is het laatste vers van de sequens 'Dies irae'
van de dodenmis. De tekst in de overige stemmen betreurt zonder twijfel
de dood van een monarch van een Duits sprekend rijk; aangenomen wordt
dat deze verwijst naar keizer Maximiliaan I van Oostenrijk, die overleed
in 1519. Het moet gezegd worden dat voor deze datering de stijl van de
muziek een beetje ouderwets is, maar treurzangen werden in de
Renaissance vaak in een wat oudere stijl geschreven. De componist wordt
niet genoemd in de bron die slechts voor één stuk een componist
vermeldt, waardoor de meesten geïdentificeerd zijn uit andere bronnen.
De meest vertegenwoordigde componist is Pierre de la Rue, gevolgd door
Josquin de Prez, de enige genoemde componist in de collectie. Als men
een componist voor het stuk zou moeten kiezen, dan zou Josquin een goede
kandidaat zijn, omdat het werk de kwaliteit van spaarzaamheid van deze
meester heeft: er zijn juist genoeg melisma's in de superius en de tenor
om het werk vloeiende te houden, maar absoluut niet meer dan nodig, en
de simpele cantus firmus stemmen en de twee erg spaarzame benedenstemmen
van het weefsel verkwisten niets. Als Josquin het stuk gecomponeerd
heeft, dan deed hij dat op gevorderde leeftijd (hij overleed in 1521);
grote spaarzaamheid aan expressie is vaak een kenmerk van het werk van
oudere componisten (bijv. Strawinsky). …………….. Josquin is verreweg de
meest invloedrijke componist van zijn tijd en er waren velen die zijn
stijl verder brachten, bijv. Mouton, Willaert en Gombert in het
Franco-Vlaamse gebied en Ludwig Senfl in Duitsland, dus de werkelijke
componist kan een van de velen zijn.
Het slot vraagt om wat uitleg: de terts in de quintus moet klein zijn
omdat hij bereikt wordt vanuit C: het verhogen van de F tot een Fis zou
een tritonus creëren, de diabolus in musica, het verboden interval.
Echter, dit slot is niet geheel ongewoon: er zijn verschillende werken
met een somber karakter van Josquin, Pierre de la Rue, Ludwig Senfl en
anderen waarin een stem zodanig is geschreven dat het gewoonlijk
verhogen van de terts in het slotakkoord voorkomen wordt; een goed
voorbeeld is Josquins prachtige Plaine de dueil of zijn Mille regretz.
Het thema van de droefheid, zo pertinent aanwezig in het chansonnier
van Margaretha die getekend was door het vroegtijdige overlijden van
twee echtgenotes, komt tot zijn volle recht in het zevenstemmige motet
Proch dolor dat ten teken van rouw genoteerd is in zwarte notenwaarden.
Het is een muzikale 'tombeau' op het overlijden van Margaretha's vader,
Maximiliaan. Het is meesterlijk geconstrueerd; naast een driestemmige
canon, met als motto Celum terra mariaque succurrite pio (Hemel, land en
zee steun de vrome mens), bezingen vier andere stemmen het overlijden
van de monarch.
Cantus firmus: Liefhebbende heer Jezus, vergun hem rust. Amen.
Het zogenaamde 'grote' liedboek van Margaretha van Oostenrijk, dat
samengesteld is tussen 1516 en 1523, is meer gedecoreerd met typische
Vlaamse miniaturen dan het (veel kleinere) liedboekje van Margaretha van
Oostenrijk (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, Ms. 11239). ……. Muzikaal
gezien is dit chansonnier belangrijk omwille van zijn drie- tot
zesstemmige polyfone composities, die opvallen door hun verscheidenheid:
40 Franse chansons, 1 Vlaams lied, 10 composities in het Latijn, en 7
met Franse en Latijnse teksten. [http://millennium.arts.kuleuven.ac.be/alamire/html/frameset00.html]
Het manuscript bevat chansons van componisten van de voorafgaande
generatie zoals Johannes Ockeghem, Alexander Agricola, Loyset Compère en
Johannes Prioris van wie de meeste verbonden waren met het Franse
koninklijke hof en van Josquin ..... het belangrijkste deel van deze
collectie …… wordt gevormd door de vijftien stukken toegeschreven aan
Margaretha's eigen hofcomponist Pierre de la Rue (ca. 1460 – 1518).
[Leeman L. Perkins, Music in het Age of the Renaissance, p. 607]
Margaretha van Oostenrijk (1480 – 1530) was de dochter van keizer
Maximiliaan I van Oostenrijk en Maria van Bourgondië. Na de dood van
haar broer Philips de Goede werd ze benoemd tot landvoogdes. van de
Nederlanden (1507 – 1530). Haar hof hield ze in Mechelen. Ze stond in
voor de opvoeding van haar neef, de jonge, verweesde aartshertog Karel,
de latere keizer Karel V.
Het chansonnier is gemaakt in het atelier van Petrus Alamire. "Voor het
eerst wordt Alamire genoemd in 1497 in een opdracht voor het schrijven
van muziekboeken voor de Illustere Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in 's-Hertogenbosch."
[Jacobijn Kiel, Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, 2001, p. 108]
21-8-2005