Frans Schröder - Oude en Nieuwe Muziek

Proch dolor / Pie Jesu – Anonymus (1519?)
 

De treurzang op de dood van waarschijnlijk keizer Maximiliaan I telt zeven stemmen. Drie stemmen voeren in canon de cantus firmus: het laatste vers Pie Jesu van de sequens over het Laatste Oordeel Dies Irae, dies illa (Dag van toorn, dag der wrake).

Tekst: Liefhebbende heer Jezus, vergun hem rust. Amen. (Uit: Liber Usualus) De overige vier stemmen bezingen de dood van de keizer: Helaas! [Oh smart!] Laat de massa van de Duitsers wenen voor de koning met de grote geest die voor hun landen verloren is. Hij ligt dood en de schitterende ster van Caesar is plotseling gevallen: er kan nu geen grotere pijn zijn dan deze wond. Moge de heldere lichten van de sterrenhemels open gaan en de hemelse gastheer de grote held verwelkomen.
(Naar een Engelse vertaling van de teksten)

Het stuk is waarschijnlijk uitgevoerd tijdens de rouwplechtigheden voor keizer Maximiliaan I op 27 en 28 februari 1519 in Mechelen. [Elders, 1985, p. 65]

Zie ook zevenstemmigheid.

Bernard Thomas, Toelichting bij de uitgave LPM 553, 2003:

Deze ongewone en nogal indrukwekkende treurzang is te vinden in één enkele bron, het chansonnier van Margaretha van Oostenrijk (MS 228 Koninklijke Bibliotheek Brussel). De notatie is interessant, het stuk is geheel geschreven in zwarte noten (zwarte longa's, breves, semibreves en minima's). De drie cantus firmus partijen zijn afgeleid van een enkele partij voorzien van een voorschrift ("Hemel, aarde en zeeën helpen de vrome") dat wijst op een canon in drie stemmen. De tekst [en de muziek, F.S.] van de cantus firmus is het laatste vers van de sequens 'Dies irae' van de dodenmis. De tekst in de overige stemmen betreurt zonder twijfel de dood van een monarch van een Duits sprekend rijk; aangenomen wordt dat deze verwijst naar keizer Maximiliaan I van Oostenrijk, die overleed in 1519. Het moet gezegd worden dat voor deze datering de stijl van de muziek een beetje ouderwets is, maar treurzangen werden in de Renaissance vaak in een wat oudere stijl geschreven. De componist wordt niet genoemd in de bron die slechts voor één stuk een componist vermeldt, waardoor de meesten geïdentificeerd zijn uit andere bronnen. De meest vertegenwoordigde componist is Pierre de la Rue, gevolgd door Josquin de Prez, de enige genoemde componist in de collectie. Als men een componist voor het stuk zou moeten kiezen, dan zou Josquin een goede kandidaat zijn, omdat het werk de kwaliteit van spaarzaamheid van deze meester heeft: er zijn juist genoeg melisma's in de superius en de tenor om het werk vloeiende te houden, maar absoluut niet meer dan nodig, en de simpele cantus firmus stemmen en de twee erg spaarzame benedenstemmen van het weefsel verkwisten niets. Als Josquin het stuk gecomponeerd heeft, dan deed hij dat op gevorderde leeftijd (hij overleed in 1521); grote spaarzaamheid aan expressie is vaak een kenmerk van het werk van oudere componisten (bijv. Strawinsky). …………….. Josquin is verreweg de meest invloedrijke componist van zijn tijd en er waren velen die zijn stijl verder brachten, bijv. Mouton, Willaert en Gombert in het Franco-Vlaamse gebied en Ludwig Senfl in Duitsland, dus de werkelijke componist kan een van de velen zijn.

Het slot vraagt om wat uitleg: de terts in de quintus moet klein zijn omdat hij bereikt wordt vanuit C: het verhogen van de F tot een Fis zou een tritonus creëren, de diabolus in musica, het verboden interval. Echter, dit slot is niet geheel ongewoon: er zijn verschillende werken met een somber karakter van Josquin, Pierre de la Rue, Ludwig Senfl en anderen waarin een stem zodanig is geschreven dat het gewoonlijk verhogen van de terts in het slotakkoord voorkomen wordt; een goed voorbeeld is Josquins prachtige Plaine de dueil of zijn Mille regretz.

Eugeen Schreurs, Toelichting bij CD The A-La-Mi-Re manuscripts, 1999:

Het thema van de droefheid, zo pertinent aanwezig in het chansonnier van Margaretha die getekend was door het vroegtijdige overlijden van twee echtgenotes, komt tot zijn volle recht in het zevenstemmige motet Proch dolor dat ten teken van rouw genoteerd is in zwarte notenwaarden. Het is een muzikale 'tombeau' op het overlijden van Margaretha's vader, Maximiliaan. Het is meesterlijk geconstrueerd; naast een driestemmige canon, met als motto Celum terra mariaque succurrite pio (Hemel, land en zee steun de vrome mens), bezingen vier andere stemmen het overlijden van de monarch.

Cantus firmus: Liefhebbende heer Jezus, vergun hem rust. Amen.

Het chansonnier van Margaretha van Oostenrijk (MS 228 Koninklijke Bibliotheek Brussel)

Het zogenaamde 'grote' liedboek van Margaretha van Oostenrijk, dat samengesteld is tussen 1516 en 1523, is meer gedecoreerd met typische Vlaamse miniaturen dan het (veel kleinere) liedboekje van Margaretha van Oostenrijk (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, Ms. 11239). ……. Muzikaal gezien is dit chansonnier belangrijk omwille van zijn drie- tot zesstemmige polyfone composities, die opvallen door hun verscheidenheid: 40 Franse chansons, 1 Vlaams lied, 10 composities in het Latijn, en 7 met Franse en Latijnse teksten. [http://millennium.arts.kuleuven.ac.be/alamire/html/frameset00.html]

Het manuscript bevat chansons van componisten van de voorafgaande generatie zoals Johannes Ockeghem, Alexander Agricola, Loyset Compère en Johannes Prioris van wie de meeste verbonden waren met het Franse koninklijke hof en van Josquin ..... het belangrijkste deel van deze collectie …… wordt gevormd door de vijftien stukken toegeschreven aan Margaretha's eigen hofcomponist Pierre de la Rue (ca. 1460 – 1518). [Leeman L. Perkins, Music in het Age of the Renaissance, p. 607]

Margaretha van Oostenrijk (1480 – 1530) was de dochter van keizer Maximiliaan I van Oostenrijk en Maria van Bourgondië. Na de dood van haar broer Philips de Goede werd ze benoemd tot landvoogdes. van de Nederlanden (1507 – 1530). Haar hof hield ze in Mechelen. Ze stond in voor de opvoeding van haar neef, de jonge, verweesde aartshertog Karel, de latere keizer Karel V.

Het chansonnier is gemaakt in het atelier van Petrus Alamire. "Voor het eerst wordt Alamire genoemd in 1497 in een opdracht voor het schrijven van muziekboeken voor de Illustere Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in 's-Hertogenbosch." [Jacobijn Kiel, Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, 2001, p. 108]
                    


21-8-2005